Buurtvereniging Schelle Oldeneel

Kleine Veerweg – 7

Voor 1947 Schelle B 197.

Situatie 2018

1894 – 1919
Jacob van Olst [1855 – 1920] kocht in 1894 met anderen, 3 percelen grond aan de Kleine Veerweg.
Dat was aan weerszijden van de grens Schelle en Oldeneel.
Hij was een zoon van Albert van Olst en Hendrika Bartels en waarschijnlijk geboren in Schelle.
Jacob huwde in 1880 met Hendrina van ’t Oever, er werden 4 kinderen geboren waarvan de oudste, Hendrika Willemina op 14 jarige leeftijd overleed.
De andere 3 kinderen waren: Willemina Alberdina, [1881 – 1915], Albert, [geb. 1884] en Jacob, [1887 – 1960].
Willemina Alberdina huwde in 1904 in Hattem met Jacob van Piekeren [Tapper], hun kinderen, Elisabeth Hendrina, Jacob, Jacoba Aartje en Hendrina Willemina, worden na 1920 mede erfgenamen van boerderij en gronden aan de Kleine Veerweg 7.
Jacob van Piekeren overleed in 1912 en Willemina hertrouwde met Hendrik Mensink.

Hendrina van ’t Oever overleed in 1893 op 34 jarige leeftijd.

Jacob hertrouwde in 1895 met Aartje van den Berg uit Hattem.
Zij kregen 3 dochters, Hendrika [Diekie] Arnolda, [1897 – 1980], Aartje [geb. 1899] en Lubberta Hendrina [Berta], [1905 – 1981].
Dochter Aartje trouwde in 1918 met Hendrik Mensink, stalhouder in Hattem.
Hendrik was weduwnaar van Willemia Alberdina van Olst, de oudste dochter van Jacob uit zijn huwelijk met Hendrina van ’t Oever, dus een halfzus van Aartje.

In 1917 bouwden Jacob en Aartje een boerderij op de grond aan de Kleine Veerweg, dat werd nr. 7, dat was tegen de grens van de buurtschap Oldeneel.
Voor de bouw werden stenen gebruikt van een gesloopte boerderij aan de Deventerweg, hetgeen nu de van Karnebeekstraat is.
Waarschijnlijk van de oude boerderij van buurman G. Logtenberg, van nr. 5.
Alleen de voormuur is van nieuwe steen op getrokken.
Jacob en Aartje kwamen uit Schelle, zoals we nu weten, van een boerderij bij de Schellerberg die rond 1916/17 is afgebroken en waar in 1920 de dubbele personeelswoning is gebouwd.

1920 – 1950
Jacob heeft er niet lang van kunnen profiteren, hij overleed in 1920.
Zijn weduwe Aartje, zoon Jacob uit zijn huwelijk met Hendrina van ’t Oever en dochters Hendrika [Diekie] en Lubberta [Berta], bleven op de boerderij Kleine Veerweg 7.
Jacob zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk bleven samen voorlopig eigenaar van nr. 7.
Moeder Aartje overleed in 1950, stiefzoon Jacob en dochters Diekie en Berta bleven op de boerderij. Zij waren alle drie ongehuwd.

1960 – 1987
In 1960 overleed Jacob op 73 jarige leeftijd, Diekie en Berta bleven op de boerderij, met arbeider Albert Kerkdijk [1921 – 1987].
In 1966 kregen de zusters, Diekie en Berta de boerderij op naam.
In 1963 is Lubberta [Berta] met Albert Kerkdijk getrouwd.

Op de boerderij waren er naast de melkkoeien en boomgaard, zomers ook kalkoenen.
Deze werden gefokt voor de kerstdagen van dat jaar, de kalkoenen hielden het erf vrij van onkruid.
In de laatste week voor de kerst werden de kalkoenen vooral aan particulieren verkocht.
Schrijver dezes was een buurjongen van de familie van Olst, en kwam daar wel eens, maar was bang voor die kalkoenen die massaal op je afkwamen maar niets deden.
Waarschijnlijk dachten de kalkoenen dat ze gevoerd zouden worden.

Een kennis heeft op het erf een groot stalen jacht gebouwd.
Hij heeft er zeker een aantal jaren over gedaan voordat het helemaal af was.

In 1980 overleed Diekie en in 1981 Berta.
Via een verklaring van erfrecht krijgt Albert [Appe] Kerkdijk in 1981 het bedrijf op naam.
Op 5 februari 1987 overleed ook Albert Kerkdijk, waardoor het gehele bedrijf door de erven te koop werd gezet.
Gerard ter Avest gehuwd met Martha Johanna Treep, kochten de gebouwen en ongeveer 1 ha. grond.
Zij gaan flink verbouwen.

De volgende tekst is van Gerard ter Avest:
Al hoewel Albert Kerkdijk in februari 1987 overleed duurde het nog een hele tijd voordat het goed te koop kwam.
Wij hadden er onmiddellijk een oogje op, maar iedere keer dat we langs reden, fietsten of liepen stond er nog geen bord in de tuin. Die tuin werd ook nog heel netjes onderhouden en het leek of het pand nog steeds bewoond was, wat niet waar was.
In die zomer van 1987 kwam het dan eindelijk te koop, we namen direct contact op met de makelaar en brachten een bod uit. We hadden ook een vakantie naar Noorwegen gepland, maar waren doodsbenauwd dat het pand in die tijd verkocht zou worden. We spraken met de makelaar af dat hij ons op de hoogte zou houden als er een beter bod kwam, op voorwaarde dat hij [indien wij koper werden] ons huis aan
de Nieuwe Deventerweg in de verkoop zou mogen nemen.
In september kochten we het pand en in oktober 1987 werd de akte gepasseerd.

Doordat we de verbouwing voor een groot gedeelte zelf uitvoerden, duurde het nog tot april 1990 voordat we er gingen wonen.

In de kapschuur op het erf stond nog een oude Peugeot uit de zestiger jaren.
Een neef van ons was daar helemaal gek van. Voor een paar honderd gulden hebben we die auto er toen ook maar bijgekocht en aan hem geschonken.

Gedurende de verbouwing kwam er nog een broer van Kerkdijk, uit Limburg, langs om te vragen of we misschien nog wat “schatten” gevonden hadden. Ze misten namelijk nog een aantal bloedkoralen snoeren. Helaas nooit gevonden.

Bron: Historisch Centrum Overijssel, fam. Ter Avest – Treep, Dhr. Bredenhoff.

Situatie afgelopen jaren